Geld verdienen en de regio economisch dienen, het is bijna een paradox

Het onbekende geld van PPM Oost Nederland

Marius Prins is directeur van de Participatiemaatschappij Oost Nederland. Hij raakt zijn geld maar niet kwijt. Misschien vanwege het verleden van de OOM en de GOM, misschien omdat ondernemers hem niet weten te vinden. Na de fusie (op 30 mei 2003) tussen de ontwikkelingsmaatschappijen OOM (Overijssel) en GOM (Gelderland) werd Marius Prins (49) aangesteld als directeur van de nieuwe Participatiemaatschappij Oost Nederland NV (PPM Oost). “Toen was er opeens weer geld om te investeren in Gelderland en Overijssel. Voor Twente werd een derde tranche EFRO-subsidie ontvangen, waardoor er alleen al specifiek voor Twente 5,5 miljoen euro participatiekapitaal beschikbaar kwam.” Goed nieuws, ware het niet dat de ondernemers het participatiebedrijf niet kunnen vinden. Althans niet de goede ondernemers. “We krijgen jaarlijks honderden aanvragen, bijna allemaal worden ze afgewezen.” Onbekend maakt onbemind, PPM Oost wil geld verdienen via participaties maar nog belangrijker is de regio economisch stimuleren. De namen OOM en GOM zijn (laten we het netjes uitdrukken) besmette namen. Prins neemt er afstand van: “Ik kwam in dienst bij de GOM, net op het moment dat daar investeringen aan het licht kwamen, die niet in de boeken waren terug te vinden. Er moest gereorganiseerd worden. Ik kom uit het bedrijfsleven, ik huldig het standpunt dat elk bedrijf eens in de zoveel jaar moet reorganiseren en nu was de GOM aan de beurt.” Prins heeft onder meer gewerkt (als officier) bij de koninklijke luchtmacht, bij de ING en Mastiff Beheer. Zijn opdracht bij het participatiebedrijf: “De portefeuille verder opbouwen. Er is een periode geweest waarin zowel in Gelderland als in Overijssel er onvoldoende geld was nieuwe participaties aan te gaan en dat was juist in een periode waarin het met de economie bergafwaarts ging.” Op dit moment heeft PPM Oost zestig participaties waarin circa 25 miljoen euro is geïnvesteerd. Er ligt dus nog 25 miljoen op de plank. “Onze investeringen hebben een omvang van enkele tonnen tot een miljoen. Als er daarna nog meer geld nodig is om de inmiddels gedeeltelijk gerealiseerde plannen helemaal waar te maken, kunnen we meegaan tot 2 miljoen. Daar lachen grote participatiebedrijven om, bij 2 miljoen vinden ze de behandelingskosten veel te hoog. Die bedrijven komen pas om de hoek kijken bij 5 miljoen en dan willen ze er ook weer binnen vijf jaar vanaf en een rendement maken van 30-40% op jaarbasis. Wij richten ons juist op een heel ander soort bedrijven. Wij willen ook rendement maken, maar bij ons is dat niet de primaire opdracht van de aandeelhouders. Groei van de kennisintensieve bedrijvigheid is dat wel.”
‘Blijkbaar hebben Twentse ondernemers geen risicodragend kapitaal nodig, want we krijgen ondanks weinig respons’

Aandeelhouders

Bij de fusie is het Innofonds Twente een 100%- dochter van PPM Oost geworden en in juni vorig jaar zijn ook de private aandeelhouders van het Technostartersfonds Noordoost Nederland uitgekocht. “Als je ondernemers adviseert de juridische structuur van hun onderneming niet onnodig ingewikkeld te maken, dan moet je dat zelf ook in de praktijk brengen, nietwaar.” Voor het allergrootste deel (92,5%) is Oost NV aandeelhouder, de andere twee (Universiteit Twente voor 4,33% en Stichting Saxion voor 3,17% van de aandelen) zijn vooral voor de samenwerking belangrijk. “Ik vind de samenwerking met Saxion en UT zeer inspirerend, het heeft tot een aantal interessante participaties geleid. Ik probeer ook de andere twee universiteiten in ons werkgebied, Nijmegen en Wageningen, erbij te betrekken. Ook al omdat ze dicht tegen ons primair beleid aanzitten.” PPM is gefocust op bedrijven die in de voeding, technologie of gezondheid werken. Niet toevallig, het sluit naadloos aan bij de wensen van de kennisregio Twente. En in de sectoren moeten de bedrijven betrekkelijk nieuw zijn, vooral zeer innovatief of familiebedrijven die opvolgingsproblemen hebben. “Wij doen dit met overheidsgeld, dus wat de markt doet, hoeven wij niet te doen. Maar de markt doet een aantal dingen niet en die pakken wij op. Wij waren onlangs betrokken bij de overname van een familiebedrijf. Het ging om 12 miljoen euro, die voor het grootste deel, meer dan 10 miljoen, door de bank is gefinancierd. Dus met minder dan een miljoen van ons hebben we een overname van een groot bedrijf met een behoorlijke regionale impact kunnen bewerkstelligen.”

‘Ik daag uit’

Het vinden van goede participaties loopt voor Prins en zijn medewerkers (elf van wie acht investmentmanagers) nog niet van een leien dakje. Of dat nou komt door het verleden of de onbekendheid van het fonds, Prins doet daarom een oproep: “Ik daag de ondernemers in Twente uit te constateren dat er op een zeer zakelijke manier naar hun plannen wordt gekeken en dat er op een uitermate professionele manier participaties tot stand komen, waarin de ondernemer een behoorlijk zwaar assesment ondergaat, maar als we met een ondernemer in zee gaan: We weten dat het langer kan duren, dat het ook meer geld kan kosten, dan zijn we ook een partner.” Dan cynisch: “Blijkbaar hebben Twentse ondernemers geen risicodragend kapitaal nodig, want we krijgen ondanks onze marketinginspanningen weinig respons van echte ondernemers uit Twente. Dat kan onbekendheid zijn, dat we ons onvoldoende profileren op ondernemersbijeenkomsten. Ik wil graag uitgenodigd worden om toe te lichten wat wij doen. We zijn er niet alleen voor starters, onze grootste toegevoegde waarde hebben we voor ondernemingen die al een product ontwikkeld hebben en een markt gedefinieerd. Wij hebben ervaring met groei en begrijpen heel goed dat de groei van een onderneming gepaard kan gaan met voorziene verliezen die het gevolg zijn van de gemaakte keuzes.”

Ondernemers komen niet

Dat is fraaie marketingtaal van Prins, maar de werkelijkheid sluit dus niet aan bij het imago van de club van Prins. Want de aanvragen voor participatie verdwijnen vrijwel allemaal in de prullenmand. “Omdat het plan niet aansluit bij ons beleid of omdat het plan nog niet voldragen is of omdat het oude economie is en dat het verliesfinanciering wordt en dat doen we niet meer. Ja, misschien is dat nog wel een beetje het imagoprobleem uit het verleden.” Hoe dan ook, in het eerder genoemde potje EFRO-subsidie van 5,5 miljoen zit nog ruim 2 miljoen, die voor mei 2006 moet worden besteed. “Dat leek een makkie: tien participaties van zo’n 0,5 miljoen per stuk. Wat mij tegenviel was dat vanaf het moment dat wij daar wat ruchtbaarheid aan gaven, de ondernemers maar niet komen. Hoe dichter bij de einddatum, hoe lastiger het wordt. Dan komt het er op aan dat er vertrouwen is ontstaan tussen de ondernemer en onze manager. Want het gebeurt eigenlijk nooit dat een participatie probleemloos verloopt; het duurt altijd langer dan gedacht en het kost altijd meer dan verwacht. Dan is het belangrijk dat de ondernemer begrijpt dat PPM Oost zelf ook een bedrijf is met eigen belangen, maar is het minstens zo belangrijk dat PPM Oost de ondernemer laat merken hem als een partner te zien en niet als een tegenpartij.” Participatie is duur geld voor de ondernemer. “De ondernemer raakt een stuk van zijn eigen bedrijf kwijt, je krijgt er dus een medeaandeelhouder erbij, er komt een raad van commissarissen en dat is best lastig voor een ondernemer die gewend is alle besluiten alleen te nemen. En wij kijken ook naar rendementen, wij willen ook geld verdienen, want we krijgen geen subsidie. We hebben geld van onze aandeelhouders gekregen en moeten verder zelf de broek ophouden. Als wij ergens geld in stoppen, dan moeten we ook echt het gevoel hebben dat het een succes kan worden.”

MKB

Voorzitter Loek Hermans van het MKB laat te pas en te onpas weten dat een succesvol deel van zijn achterban bijvoorbeeld als gevolg van snelle groei financieringsproblemen heeft. Hij pleit er voor het borgstellingkrediet uit te breiden naar participatiebedrijven. Van Prins hoeft dat niet. “Participatiemaatschappijen moeten doen waar ze voor zijn opgericht: participeren en dat houdt per saldo risicodragend in; dan moet je niet vervolgens je risico’s bij de overheid proberen neer te leggen.” Prins ziet zijn investering als hefboom, omdat het opgeteld bij het eigen vermogen van het bedrijf de banken kan verleiden meer te financieren. Volgens Prins weten veel bankmensen nauwelijks dat het borgstellingkrediet bestaat en hoe het werkt. “Dat is permanente educatie die elke organisatie hoort te hebben.” Er zijn nu contacten met de ING (waar niet geheel toevallig ook de Twentse voorzitter van het MKB, Otto Zuidema, werkt) die moeten leiden tot kennismaking en samenwerking. “Financiële instellingen reageren soms te extreem, kijk naar de internethype. Daar zijn natuurlijk heel rare dingen gebeurd. Maar wie hebben dat gefinancierd? Dat waren toch die participatiemaatschappijen. Er werden waarderingen uitgevoerd voor ondernemingen die hoger waren dan 1 keer de omzet per jaar. Het mooiste voorbeeld vond ik het bedrijf Lernout en Hauspie; als er een softwarepakketje van 100 euro werd verkocht, dan werd het bedrijf meer dan 100 euro meer waard. Als je dan aandeelhouder in zo’n bedrijf bent, dan u je natuurlijk leuke constructies opzetten om meer te verdienen.

Escape om te sluiten