Beroepstwijfelaar Wilfried Finkers heeft een hekel aan moraalridders

‘Ik keek echt uit naar de vrijdag, de dag op de Sociale Academie’

Alsof Marco van Basten aan Heracles vraagt of ze nog een speler nodig hebben…. Wilfried Finkers bezocht in januari 2002 een voorstelling van Ernesto en Marcellino in de Kleine Kunst in Hengelo. Na afloop moest en zou hij direct naar de kleedkamer. “Mijn vrouw zei nog ‘drink eerst een pilsje en laat die jongens even bijkomen’. Maar nee, ik wilde meteen naar ze toe”. Finkers was gegrepen door het duo (“het was liefde op het eerste gezicht”) en hij bood zijn diensten aan; het komende seizoen staat het drietal in alle grote schouwburgen in het oosten des lands geprogrammeerd. En daarom geeft hij nu ook interviews, het is tenslotte voor de goede zaak. Waarom hij voor dit blad is gevraagd? Finkers ging na zijn Atheneum biologie studeren. “In het begin gaat de studie nog over planten en dieren, aan het einde houd je je bezig met chemische formules en statistische berekeningen en met methodiek van onderzoek”. Hij deed vervangende dienstplicht bij de Eefdese Tehuizen (tegenwoordig Rentray) in Zutphen. Dat werk greep hem, hij overwoog in die sector te blijven werken. En daarom ging hij de Sociale Academie in Hengelo (later gefuseerd met Saxion) doen. “Op het moment dat ik eindexamen deed voor de Sociale Academie, was ik al begonnen bij Herman. Tijdens mijn eerste les op de Sociale Academie was ik nog biologiestudent en tussendoor ben ik groepsleider geweest”, vat Wilfried samen. Wilfried moet prikkels hebben in het leven, met zijn handen én zijn hoofd werken. De vervangende dienstplicht kwam niet uit de lucht vallen. Tijdens zijn biologiestudie deed hij al veel vrijwilligerswerk met geestelijk gehandicapten. “Ik heb zwemles gegeven en vakantiekampen voor kinderen begeleid. Ik zocht niet het exacte, maar juist het sociale”. Hij kreeg te maken met een groep ernstig gedragsgestoorde, lichtelijk geestelijk gehandicapte mensen. “Ik heb toen serieus overwogen mijn biologiestudie op te geven en groepsleider te worden. Dat werk gaf veel meer voldoening. Ik stond midden in de maatschappij. Ik zag mezelf niet meer als wetenschapper werken alleen in een kantoortje”. De tegenstelling tussen student/wetenschapper en groepsleider was enorm. “Ik hoefde bij die biologiestudie nooit naar mijn gedrag te kijken”. Als groepsleider werd hij in het diepe gegooid en daarom besloot Finkers de Sociale Academie in deeltijd (één dag per week) te gaan volgen (in de jaren 1983- 1987). “Het is zwaar werk. Het vroeg veel van me en ik was niet gewend dat er van mij als persoon wat gevraagd werd. En dan is het heerlijk als je één dag in de week in een veilige omgeving met andere mensen kunt praten over de moeilijkheden die je tegenkomt. Ik keek echt uit naar de vrijdag. Ik had bijvoorbeeld in de groep een depressieve bewoner en daarover ging mijn werkstuk. Op zo’n manier kreeg ik handvatten aangereikt voor de bewoners. Ik zou eigenlijk een pleidooi willen houden om de opleiding Sociale Academie naast dat werk te doen”. Ook de andere studenten waren overigens geen tieners meer. “Een aantal had eerst een mbo-opleiding gedaan. Het zou wel eens kunnen zijn dat we op de parttime opleiding meer een band met elkaar hadden dan als we de fulltime opleiding hadden gedaan. We hadden elkaar nodig. Het accent lag op de casusgesprekken. Nee, ik heb geen contact meer met die mensen. De eerste jaren dat ik met Herman overal in het land optrad, ging ik nog wel eens bij een vroegere studiegenoot eten”. Nog voordat Wilfried eindexamen Sociale Academie had gedaan, belde Herman. “Ik heb heel erg getwijfeld”. Hij leerde het werk van belichter, maar Wilfried schreef ook mee aan de teksten. En net als van het werk van groepsleider, krijgt hij ook prikkels in het theater. “Ook bij de 300e voorstelling. Een voorstelling neerzetten is een stukje zelfverwerkelijking. Met een voorstelling haal je het meeste uit jezelf, je kunt jezelf niet meer bewijzen. Voor een voorstelling in elkaar zetten heb je gewoon 2,5 jaar nodig. Herman en ik hadden dat nodig en met Ernesto en Marcellino is dat ook zo. In zo’n voorstelling zitten wel 300 grappen. Bedenk ze maar eens even. We hadden in januari een voorstelling in Lochem. Uitverkocht. En de mensen gingen uit hun dak. Een maand daarna in Winterswijk, 570 bezoekers, ook uitverkocht en uit hun dak. Ja, dat is een gevoel van orgasme: daar gaat zo’n stimulans van uit”. Zonder de Sociale Academie zou Finkers theoretischer geweest zijn, zoals hij dat zelf noemt. “Vergelijk het met de huidige situatie dat ik nog één dag in de week bij het Rabo-theater in Hengelo werk als technicus. Dan maak ik ook de andere kant van het werk mee. Want als artiest vraag je aan de technici werk voor je te doen en ik doe dat werk één dag in de week voor de artiesten. Het maakt je blikveld breder”. Wilfried belde het Rabo-theater toen in 2000 duidelijk werd dat Herman vooralsnog zou stoppen met werken. Hij kon (toen nog fulltime) aan de slag als hoofdtechnicus. Dat verbaasde hem wel een beetje. “Ik miste een technische achtergrond. Ik had wel ervaring als reizend technicus, maar niet de ervaring van beheer over gebouwen. Ik heb mezelf met stoomcursussen elektronica en elektrotechniek bijgespijkerd. Maar dat is niet echt de reden dat ik gestopt ben met die baan. Het is toch een soort kantoorbaan. Ik ben in mijn leven veel aan het zoeken geweest. Ik moet werk hebben waarbij ik wat meemaak, waarbij ik prikkels krijg, zintuiglijke prikkels. Ik miste iets. Zoals ik dat eerder had bij mijn biologiestudie. Ik was niet creatief bezig, ik had geen eigen product. De grapjes bleven wel in me opkomen, maar ze hadden geen functie meer. Wat moest ik met die grapjes? Toen ben ik zelf kleine voorstellinkjes gaan geven van 20, 30 minuten. Voor bedrijven, tijdens congressen en zo. Het is echt geen show, maar gewoon eventjes wat ontspanning, wat grapjes, een grappige toespraak. Vanaf januari van dit jaar werkt hij nog acht uur bij het Rabo-theater. En hij werkt dus met Marcellino en Ernesto. Marcellino en Ernesto waren geen onbekenden voor Finkers. In 1993 won het duo een cabaretfestival. Ze waren in die tijd af en toe op televisie. “Wat zij deden was het helemaal voor mij. Ernesto zong een heel serieus liedje over een land zonder ruzie waar hij naartoe zou willen. Achter hem frummelt een kluns aan een fietstas. De aandacht verschuift van de zanger naar de kluns. Op het einde van het lied hoor je een tamboerijn waarop Marcellino slaat, maar die zit nog in die fietstas. Het is een soort bevrijdende humor. Twee antihelden die ‘crowdsurfen’: de bevrijding van de moraal. De meeste cabaretiers zijn moraalridders. Dat zijn Ernesto en Marcellino absoluut niet. Dat is wat ik zo mooi vind. Ik dacht ‘van die jongens gaan we nog veel horen’. Maar dat viel tegen. Ik kwam ze ook nooit tegen in de schouwburgbrochures”. Tot ze opdoken in Hengelo…. Het duo vroeg Wilfried de regie te doen. Dat vond hij niet genoeg. “Als ik iets doe, dan duik ik er ook helemaal in en vereenzelvig ik me helemaal met de voorstelling. Ik ben een perfectionist. Als ik een putje in het hout zie, dan moet dat gladgestreken worden”. Ernesto en Marcellino waren in de begintijd al snel tevreden en Wilfried is eigenlijk nooit tevreden. “Wanneer ben je tevreden met het decor, wanneer ben je tevreden met de geluidskwaliteit van je band, wanneer ben je tevreden met je belichting”, stelt hij retorisch. Anderzijds stralen Ernesto en Marcellino een hoge mate van spontaniteit uit. En spontaniteit en perfectionisme bijten elkaar soms. “Hun spontaniteit werkte als een bevrijding voor mij na 13 jaar werken met Herman Finkers. In die shows werd het steeds perfectionistischer. Ook regiematiger steeds strakker. De laatste voorstelling van Herman kon je elk woordje wat hij zei voorspellen, als je de voorstelling kende. Dat is bij Ernesto en Marcellino veel minder, ze zijn minder tekstvast”. Hun samenspel met het publiek levert verrassingen op. ”Dat zijn mooie momenten. Vooral omdat Ernesto erg adrem is. Die is in staat om ter plekke zeer komisch te reageren, dat ie echt de hele zaal ‘in zijn tuk heeft’. De taak van Wilfried is dus (naast het schrijven van ongeveer de helft van de teksten) om de spontaniteit te behouden en de basis, het fundament kwalitatief te verhogen. Ook voor de voorstellingen van Herman Finkers leverde Wilfried zo’n 40% van de teksten. “Dus sowieso zit er al 40% dezelfde humor in beide voorstellingen. Je zou kunnen zeggen dat het Herman Finkers is met een vleugje Waardenberg en De Jong. Het vleugje Waardenberg en De Jong valt op omdat ook Ernesto en Marcellino een duo is. De show is fysieker en minder ingetogen dan Herman Finkers. De humorstijl is het best te vergelijken met de Engelse humorstijl van mister Bean en Tommy Cooper. De antiheld, door iets vreemds als normaal te beschouwen”. Het voorbeeld van zijn manier van werken, blijkt ook bij de foto bij dit verhaal. De foto van Ernesto en Marcellino was al klaar. “We zijn opnieuw naar die plek gegaan en hebben een foto van mij gemaakt in de coniferen en die hier ingeplakt. Over perfectionisme gesproken, Ernesto vond deze foto goed genoeg. Ik zeg ‘dat is niet goed genoeg, die straal die moet uit die mond komen’. Ernesto had in deze foto mijn kop hiervoor geplakt. Zij zijn het duo en ik doe op de achtergrond mee. Dat geeft deze foto weer”. Wilfried de beroepstwijfelaar. “Dat is soms erg vermoeiend. Als groepsleider van geestelijk gehandicapten is zulk retrospectief gedrag lastig. Aan het einde van een dienst ben je er uit hoe je het eigenlijk had moeten doen. De volgende dag is weer een heel andere dienst. Dan word je opnieuw verrast en dan doe je het weer verkeerd. Als artiest heb je 2,5 jaar de tijd om maar te pulken aan komma’s, punten en puntkomma’s. Ik ben al heel tevreden als ik in een zin 1 woordje veranderd heb en het gaat daarna beter. Ik vind dat ik midden in het leven sta, als ik zie dat elke avond honderden mensen lachen om een grap van mij die ik in een paar minuten bedacht heb. Dat is ook een prikkel. Dat mijn werk effect heeft, zin heeft. Dat miste ik als ik bij biologiestudie een onderzoek deed van een half jaar en het verslag verdween onder in de la waarna niemand er ooit nog naar keek”.

Escape om te sluiten